Foto: Nicolai Berntsen

Foto: Nicolai Berntsen

Het is zaterdag avond. Ik zit in de trein. Ik ben onderweg naar Amsterdam om met een paar mensen sushi te gaan eten. Ik ben alleen. Mijn man gaat niet mee. Voor me zit een groep van zes mensen, drie stellen, om precies te zijn. Een groep vrienden. Ze gaan naar Amsterdam. Samen. En ik zit daarachter. Alleen. 

Nog een jaar of tien geleden heb ik me mijn leven helemaal anders voorgesteld. Ik dacht dat ik altijd mensen om me heen zou hebben. Op mijn werk en in privé. Ik wist toen nog niet dat het anders zou lopen. Ik heb een man ontmoet die mij naar een vreemd land meegenomen heeft. Mijn vrienden heb ik achtergelaten, mijn familie ook. Ik moest opnieuw beginnen. In alle opzichten. Nieuwe taal leren, nieuwe baan vinden, nieuwe vrienden maken en een relatie met mijn nieuwe familie opbouwen. Een jaar of tien geleden had ik nooit gedacht dat ik me ooit eenzaam zou voelen. Dat ik vrienden in de buurt hebben zou missen.

Ik ben gezegend met een fantastische familie, hier in Nederland. Vanaf de eerste dag al deden ze alles om mij me thuis te laten voelen. Ze lieten me weten dat ze er zijn en dat ik nu bij hen hoor en dat ik niet alleen in dit land van aankomst ben.

In de tien jaar die ik hier ben heb ik werk gevonden, in mijn beroep ook nog. Ik heb op een luchthaven, in de lucht en dan weer op de luchthaven gewerkt. Ik was tussen de mensen, heel veel mensen. Elke dag. Tot er iets in mijn brak. Ik kon het niet meer. Ik wilde thuis zijn. Alleen of met mijn man. Niet meer tussen de mensen. Nu werk ik van huis. Achter mijn laptopje. Twee dagen in de week werk ik bij de bibliotheek. En dat is meer dan voldoende.

Mijn man heeft weinig behoefte aan mensen. Hij vind het prima om thuis te blijven. Met zijn tweeën. Hij kan uren lang in zijn eentje op de fiets zitten. Hij heeft dan niemand nodig. Zijn beste vriend is zijn broer. En dat is ook genoeg voor hem. Ik vind het mooi. Ik had nooit gedacht dat ik dat zou zeggen, maar mijn mensenbehoefte wordt ook steeds kleiner. Mijn prioriteiten zijn verschoven. Of misschien ben ik oud en saai geworden?

En nu zit ik de trein. Alleen. Achter de groep vrienden die het duidelijk heel gezellig met elkaar hebben. Ik kijk naar buiten en ik glimlach. Ik ben gelukkig. Ik ben op mijn plaats. Ik kan eindelijk zeggen dat ik mijn plekje in de wereld gevonden heb. Mijn geluk is hier. Gewoon, bij mezelf. En bij mijn man. In dat niet meer vreemde land.

Deze tekst is geschreven voor Biuletyn van de PNKV.